De soleá (ook wel aangeduid met de meervoudsvorm soleares) wordt vaak de moeder van alle flamencostijlen genoemd. Alles wat de flamenco zo bijzonder maakt, zit erin: de klaaglijke zang, de dans die zowel trots als emotioneel is, het compás in twaalf tellen. Het woord ‘soleá’ is de Andalusische verbastering van ‘soledad’, eenzaamheid. De soleá is een melancholieke stijl. De teksten gaan vaak over verloren liefdes en ander leed, de dans is hoofs en ingetogen. De danser bouwt een emotionele spanning op, die tijdens het voetenwerk tot ontlading komt.